
Op kleding gemaakte screenprints die gebruikmaken van UV-harde inkt, vertonen na het wassen nog steeds barsten. Meestal ligt het probleem niet bij de inkt zelf – er wordt gewoon niet voldoende UV-energie op de inkt gebracht.
Wanneer het maximale stralingsniveau en de energiedichtheid van de lamp te laag zijn, blijft de reactie van de fotoinitiator beperkt tot het oppervlak van de inkt. Het oppervlak van de inkt lijkt dan droog, maar het proces van kruisverbinding vindt niet plaats in de hele dikte van de inktlaag. Wanneer er dan wordt gewassen of mechanische spanning optreedt, breekt de ongehardde inktlaag – het patroon wordt zichtbaar.
Wat belangrijk is op technisch gebied
Bij het gebruik van UV-hardende inkt moet de spectrale uitstraling van de lamp passen bij de eigenschappen van de fotoinitiator. Een hoogspanningsmercurydamplamp levert sterke straling op een golflengte van 365 nm, die geschikt is voor algemene fotoinitiatoren. Daarnaast worden ook golflengten van 313 nm en 395 nm gebruikt, zodat de hardening dieper in de pigmentlagen kan plaatsvinden.
Stel de vermogenssterkte van de lamp in op een niveau dat past bij je druksnelheid en de dikte van het stencil. Meet vervolgens de energiedichtheid met een spectraleradiometer. Streef ernaar om een stabiele energiedichtheid te behouden op het substraat – meestal 600–1000 mJ/cm² voor textielinkt. Zorg er ook voor dat het maximale stralingsniveau hoog genoeg is om de invloed van zuurstof op het oppervlak te overwinnen. Een dichroïsch gelakte reflector concentreert de bruikbare UV-straling in het gewenste gebied en voorkomt dat er overtollige infraroodstraling ontstaat.
Als de spectrale uitstraling en de hoeveelheid UV-energie goed zijn, zal de inkt zich door de hele dikte van de inktlaag heen harden. Hierdoor ontstaat een uniform polymeernetwerk dat bestand is tegen wasen en slijtage.
Dat betekent betere wasbestendigheid, minder afwijkingen en een betere hechting op katoen, polyester en mengstoffen. Bovendien kan je sneller drukken, omdat de lamp voldoende energie levert zonder dat het substraat wordt beschadigd.
Enkele praktische tips
Zorg ervoor dat de lamp op de juiste manier is geïnstalleerd, met de juiste afstand tussen de lamp en de reflector. Een verkeerde instelling zorgt voor een te lage stralingsintensiteit. Zorg er ook voor dat je stroomvoorziening overeenkomt met de start- en werkingsspanning van de lamp. Houd ook in de gaten hoe vaak de sluiter wordt gebruikt.
De output van de lamp neemt na verloop van tijd af. Met behulp van regelmatige metingen kun je controleren of de output nog binnen de gewenste grenzen ligt. Vervang de lamp wanneer de energiedichtheid onder de gewenste waarde komt.